Betwisting vaderschap : bezit van staat (Marc Boeykens)

De onderscheiden elementen van de staat van de persoon zijn vatbaar voor bezit, dit is de feitelijke uitoefening van prerogatieven en verplichtingen verbonden aan een recht, zonder dat dit hierbij relevant is te weten of de betrokkene ook titularis is van dit recht.

Het bezit van een staat betekent de feitelijke toestand waarin men zich bevindt met betrekking tot een bepaald element van zijn staat, de feitelijke uitoefening van rechten en naleving van plichten die uitsluitend uit die staat voortvloeien, ongeacht of men die staat juridisch heeft of niet.

De wet geeft geen algemene omschrijving van het bezit van staat. Alleen voor het afstammingsrecht wordt een uitdrukkelijke omschrijving van de notie gegeven in art. 331, 9° van het B.W.

 

In het algemeen worden de constitutieve bestanddelen van het bezit van staat samengevat in de formule : nomen, fama et tractatus.

  •  Nomen : het dragen van een naam die overeenstemt met de staat waarvan men het bezit inroept
  • Fame : het als dusdanig erkent worden door de familie en de samenleving
  • Tractatus : het behandelt worden door de rechtstreeks betrokkenen als hebbende de staat waarop men zich beroept

In het afstammingsrecht wordt daar een vierde component aan toegevoegd : het feit dat de openbare overheid de betrokkene beschouwt als hebbende de staat waarop hij zich beroept.

 

Deze opsomming van componenten heeft slechts een exemplatief karakter : het is niet vereist dat elk van de vier componenten voor handen is opdat er een duidelijk bezit van staat zou zijn.

Van de andere kant kunnen ook andere componenten worden aangevoerd die de staat aannemelijk maken.

De relevantie van de onderscheiden componenten hangt bovendien ook af van het element van de staat van de persoon waarover het gaat.

 

Om van een deugdelijk bezit van staat te kunnen spreken is alleen vereist :

  • dat er voldoende betekenisvolle feiten aangevoerd worden
  • dat alle aanwijzingen convergerend zijn
  • dat het bezit dat door de aangevoerde feiten wordt aangetoond voortdurend is, hetgeen in de regel niet vereist dat het ononderbroken moet zijn ; alleen een minimale continuïteit is vereist.

 

Aldus kan men stellen dat er deugdelijk bezit van staat aanwezig is wanneer er voldoende voorafbestaande en uiterlijk waarneembare feiten voorhanden zijn die wijzen op die staat en die niet worden tegengesproken door enig ander feit.