Weigeren bezoekrecht kind bij echtscheiding (Marc Boeykens)

 

  1. De wetgeving:

 
Art. 369 bis SW stelt:
   Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen worden gestraft:

Wanneer over de bewaring van het kind mocht zijn beslist, hetzij gedurende het verloop of ten gevolge van een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, hetzij in andere bij de wet bepaalde omstandigheden, dan worden dezelfde straffen toegepast op de vader of op de moeder die het minderjarig kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen, die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
Indien over de bewaring van het kind een aan de rechtspleging door onderlinge toestemming voorafgaande minnelijke schikking is getroffen, worden dezelfde straffen toegepast op de vader of de moeder die, vanaf de datum van de overschrijving van de echtscheiding door onderlinge toestemming, het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing of de minnelijke schikking is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan hen die het recht hebben het op te eisen, die het, zelfs met zijn toestemming ontvoert of doet ontvoeren.

 

 

  1. De rechtspraak

 

 

De rechtspraak en rechtsleer maken duidelijk dat er geen sprake kan zijn van strafbare niet-afgifte wanneer er omstandigheden buiten de wil van de beklaagde zijn die een uitvoering van het omgangrecht tegenaangewezen maken.

 

 

Wanneer uit het gevoerde onderzoek – en zoals in casu uit het verslag van de aangestelde deskundige – blijkt dat de minderjarige weigert mee te werken aan de bezoekrechtregeling ingevolge omstandigheden ontstaan buiten de wil of het toedoen van de beklaagde en dat dwang tot uitoefening ervan het psyche van het kind zou verstoren, dan is er geen sprake van strafbare niet-afgifte.”

Antwerpen 19 december 1995, Limb. Rechtsl. 1996, 24.

 

 

“Zelfs al kan het misdrijf van niet-afgifte van het kind bestaan uit het verzuim van de moeder om haar invloed te gebruiken om de weerstand van de kinderen te overwinnen tegen de uitoefening van het bezoekrecht door de vader, toch moet dit verzuim worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden. Er bestaat twijfel die de beklaagde ten gunste is wanneer de weinige begeleidende elementen waarover het Hof beschikt om het gedrag van de beklaagde te beoordelen gedurende de periode van het misdrijf niet toelaten te bevestigen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een dergelijk verzuim, des te meer nu de verklaringen van de kinderen, wat ook de waarde is van hun grieven ten aanzien van hun vader en hun grootmoeder aan vaderskant, een vaste wil en een overdachte vastberadenheid vertalen.”

Bergen 26 september 1997, Rev. trim. dr. fam. 1999, 412.

 

 

“Wanneer het kind het bezoekrecht van de vader weigert en er geen fout van de moeder kan worden aangetoond van het kind tegen de vader op te zetten, kan de moeder niet verweten worden geen fysisch geweld gebruikt te hebben om een 10 jarig kind te dwingen een gerechtelijke beslissing na te leven.”

Brussel 9 november 1984, Rev. trim. dr. fam. 1987, 223.

 

 

“De weigering van een kind om zich te onderwerpen aan de uitoefening van een bezoekrecht, kan onder bepaalde omstandigheden een rechtvaardigingsgrond uitmaken voor het misdrijf voorzien in art. 369bis Sw.”

Corr. Namen 12 maart 1982, R.R.D. 1982, 328.